“Ik heb er genoeg van om te horen ‘het kan niet’. We hoeven Nederland niet zo te besturen, omdat het moet van ‘Europa’, van ‘de rechter’, of ‘de wetenschap’. Slecht beleid veranderen kan wél.”
“Midden in verkiezingstijd meldt een @groenlinks gedeputeerde dat volgens ‘nieuwe analyses’ de natuur ernstig verslechtert en dat haar beleid noodzakelijk is. Niet alleen de timing is opvallend. De inhoud van de analyses is dat ook.
Eerst het #persbericht. De provincie meldt een ‘slechte staat van de natuur’ in heel #Brabant en trekt daarom de conclusie dat het tot nu toe gevoerde beleid werkt (?) maar moet worden geïntensiveerd. Gevolg: geen vergunningen meer in Brabant.
De pers doet daar nog een schepje boven op. ‘De conclusie van de analyses is dat de natuur in de afgelopen acht jaar verder achteruit is gegaan’. Brabant moet grotendeels ‘op slot’ om de ‘natuur te redden’.
Nu de analyses zelf. Die zijn opgesteld door @Arcadis_NL, een ingenieursbureau. Ik heb de moeite genomen er één door te nemen (288 pagina’s!), dat van de #Kampina / #Oisterwijkse#Vennen. Ik woon er dichtbij en kom er graag. brabant.nl/-/media/29264b…
Het tweede dat opvalt is dat er niet zozeer wordt gekeken naar de staat van de natuur, maar of de ‘doelstellingen’ worden gehaald. Dat is heel wat anders. Die doelstellingen, door NL zelf vastgesteld, vinden dat de habitats beter en vooral groter moeten worden.
Zo werd er in 2013 bij de aanwijzing als #Natura2000-gebied nog maar 57,33 hectare vochtige heide waargenomen, in 2020 was dat inmiddels 238,24 hectare. Goed nieuws, zou je denken, maar die toename is kennelijk niet groot genoeg.
Volgens de kaarten groeien alle beschermde natuurtypen. Maar of dat zo is, weten we eigenlijk niet. De kaart van 2013 gebruikt andere criteria dan die van 2020. Het rapport doet geen poging om tot één definitie te komen, maar houdt het bij ’onbekend’.
Naast de oppervlakte van de beschermde natuurtypen is natuurlijk ook de kwaliteit van belang. Hoe gaat het daarmee? Eigenlijk zegt het rapport: we hebben geen flauw benul. We hebben nauwelijks gekeken in 2013 (T0), en we hebben ook nu nauwelijks een idee.
Of de natuur voor- of achteruitgaat weten we dus niet. Omdat we er niet naar kijken. We kijken alleen naar ons #stikstofmodel, dat geen informatie geeft over de staat van de natuur. De trends zijn onbekend. Dat is de echte conclusie van deze analyse.
Dat wordt in de analyse echter heel anders gepresenteerd. Het overzicht of voor de verschillende natuurtypen de doelstellingen zijn gehaald, kleurt dieprood. Met alles gaat het slecht, zo lijkt het wel, en de provincie moet op slot.
Maar de legenda van deze tabel vertelt iets anders. Gewoon rood (‘Nee, tenzij – a’) betekent niet dat het slecht gaat met de natuur, of de doelen niet hebben bereikt, maar dat we dat niet weten, omdat we daar onvoldoende onderzoek naar doen.
Er blijkt uit niets dat we dat onderzoek nu wel gaan doen. En dat is belangrijk, want al die vakken blijven dan rood, ongeacht hoeveel #boeren we #uitkopen, hoeveel #miljarden we er tegenaan gooien en hoeveel #vergunningen we ook intrekken.
Voor de drie natuurtypen waar de doelen niet gehaald worden (dat wil, zoals gezegd zeker niet zeggen dat de natuur verslechterd is) speelt alleen bij de zwakgebufferde vennen #stikstof een rol, maar het waterbeheer lijkt relevanter.
Op basis van deze analyse stelt de Gedeputeerde @_Hagar dat de kwaliteit van de natuur slecht of slechter is en ‘moet worden gered’ met #stikstofmaatregelen. Met de beste wil van de wereld kan ik dat niet in dit rapport terugvinden.
Op basis van deze analyse stopt Gedeputeerde Staten, inclusief ‘middenpartijen’ @cdavandaag, @VVD en @D66 met vergunningverlening in straal van 25 km rond dit natuurgebied. Dat is bijna de helft (!) van de provincie, inclusief steden als #Tilburg, #DenBosch en #Eindhoven.
Maar een stop op de vergunningverlening – ten koste van woningen, innovatie en verkeersveiligheid – helpt niets, want de vakken blijven rood omdat we geen informatie verzamelen over de natuur, niet omdat de natuur verslechtert.
Voor wie dus nog wil weten waarom we een partij hebben opgericht en meedoen aan de verkiezingen: omdat we erg ongelukkig worden van het feit dat ons land op deze manier bestuurd wordt. @ED_Regio @LvdSt @brabantsdagblad @omroepbrabant @BNDeStem #verkiezingen15maart
Een brief van mij aan de Waterschappen die nog steeds actueel blijkt, gezien de aanstaande hervormingen met de Waterschapsverkiezingen in maart 2023, waarbij agrariërs opnieuw geweerd worden en burgers meer inspraak krijgen in de Waterschappen
Aan alle besturen en Afdelingsbesturen Nw Schoonebeek, 8 jan.2003
NLTO, GLTO, WLTO, ZLTO en LLTB
Geacht Bestuur ,
Waterschap of Waterschat?
Onlangs schreef De Unie van Waterschappen een open brief aan de regering om aandacht te vragen voor de noodzaak van dijkverhoging en waterberging in verband met de vermeende stijging van de zeespiegel. Enige twijfel over dit rampscenario nodigde uit voor enig speur en rekenwerk in Encarta encyclopedie. De totale oppervlakte van de aarde is zo’n 472 miljoen vierkante kilometer.
Twee derde van het aardoppervlak bestaat uit water dus 472/3×2= 315 miljoen vierkante kilometer water op deze aardbol, wat hetzelfde is als 315.000 miljard vierkante meter.
Om deze watermassa tien centimeter te laten stijgen is er dus 315000/10 is 31500 miljard kubieke meter water extra nodig, in ijs omgerekend iets meer in verband met volume krimp van smeltend ijs. Dit is gelijk aan de oppervlakte van heel Europa met een ijsdikte van 3 meter.
Om het zeeniveau een meter te laten stijgen is dus dezelfde oppervlakte aan ijs met een dikte van dertig meter nodig. Of hetzelfde als 315000 kubieke kilometer ijs. Antarctica heeft weliswaar een ijs massa van ongeveer 2 miljoen kubieke kilometer, genoeg om de zeespiegel zo’n 60 meter te doen stijgen, als het volledig zou smelten. Echter daar is het zo koud ( -29 tot -90 o C) dat een temperatuur stijging van enkele graden Celsius niet zoveel invloed zal hebben
. Behoudens een ernstige rekenfout, en /of onderschatting van andere factoren, zal het met die zeespiegel stijging zo’n vaart niet lopen,.
Waarom zoveel aandacht voor dit soort ridicule extreme scenario’s? Deltares heeft onderzoek gedaan naar de stijging van de zeespiegel bij Nederland. Conclusie? De zeespiegel stijgt heel geleidelijk met 1.86 mm per jaar en daar zit geen (!) versnelling in. #klimaathysterie
In dit opzicht lijkt het erop dat de Unie van Waterschappen om een voorschot vraagt om oplossingen te realiseren voor een probleem dat voor een groot deel nog is gebaseerd op veronderstellingen.
Tevens lijkt deze brief van de Waterschappen een vooraankondiging van een forse tariefsverhoging.
In verband met wateroverlast jaren geleden maakten wij samen met enkele collega’s ons sterk voor een extra waterlossing onder de provinciale weg.
Er was al een aannemer gepolst die voor een bedrag van FL. 6000. de klus kon klaren. De provincie en Waterschap gaven echter geen toestemming, de firma zou niet genoeg kwaliteitsgarantie kunnen geven. Alleen het Waterschap zelf mocht de klus klaren. Kosten Fl. 50.000. =
Al decennia lang voeren de Waterschappen onder het mom van kosten besparing alle veld en onderhoudswerk in eigen beheer uit. Een perfect machinepark dat een groot deel van het jaar op het erf van het personeel( dat met een 38-urige werkweek onder een semi-overheid CAO valt) of in de goed geoutilleerde werkplaats staat. Door een ongebreidelde investeringsdrang wordt het ene krediet na het andere aangevraagd en bestaan de vaste lasten inmiddels voor een groot deel uit rentelasten. Bij een normaal loonbedrijf kunnen personeel en tractoren ook elders ingezet worden. Daar worden aanmerkelijk meer uren gemaakt en kan men zodoende efficiënter werken. Zo kan het Waterschap aanmerkelijk besparen op materieel en gebouwen en dus ook weer op kantoor ruimte met bijbehorend personeel.
Iedere vorm van concurrentie en efficiëntie is hier vreemd, alle extra kosten worden eenvoudig door berekend aan de belastingbetaler. Naar mijn mening is kostenbesparing niet de reden om alle werkzaamheden zelf uit te voeren. Er schijnt een verband te bestaan tussen de hoogte van salarissen van enkele kopstukken van het Waterschap en het aantal personeelsleden.
Rond het jaar 1994 lag de plaatselijke NLTO Afdeling in een juridische strijd verwikkeld met het toenmalige Waterschap het “, t Suydevelt”‘ om de classificatie van een groot deel van Nw Schoonebeek. Volgens de geldende criteria hoorden deze gronden in de laagste klasse, het Waterschap had echter anders beslist, en deelde de gronden in een hoge klasse in. Het NLTO was het hiermee niet eens en vocht deze beslissing terecht aan. Het Waterschap echter weigerde om de beslissing terug te draaien maar kwam met een voorstel om met een hardheidsclausule een deel van de heffing met terug werkende kracht terug te betalen
Min of meer onder dreigementen van het Waterschap heeft de NLTO toen dit voorstel aanvaard. Een aantal ingelanden had ongeveer tezelfdertijd om dezelfde reden een deskundige in de arm genomen om de classificatie aan te vechten. Na de eerste uitspraak van de rechter te hebben verloren besliste in hoger beroep het Hooggerechtshof in Leeuwarden in het nadeel van het Waterschap met het gevolg dat de gronden met terug werkende kracht in de laagste klasse werden ingedeeld.
Ergens in een stadje werd onder de rook van het Waterschaps-kantoor een nieuwe woonwijk uit de grond gestampt.
Achteraf had deze woonwijk hier niet mogen komen vanwege de hoogte, over liever gezegd juist te lage ligging. Hier is duidelijk dat het gemeente -en waterschapsbestuur hebben liggen slapen.
Sommige Waterschappen houden promotiecampagnes ten aanzien van hun beleid. Mijns inziens hoort een overheidsinstelling zichzelf niet te promoten maar dient met een deugdelijk beleid haar reclame te maken. Hoe immers kun je met kostbare procedures enerzijds het publiek uitmelken en tegelijkertijd anderzijds doormiddel van kostbare promotiecampagnes je beleid verdedigen om daarna datzelfde publiek de nota te presenteren voor bewezen diensten?
Al jaren is de Waterschapsheffing voor vele agrariërs een forse aanslag op hun inkomen en zal dus alleen nog maar stijgen als je op de geluiden uit die hoek afgaat.
Het kan en mag toch niet zo zijn dat de financiële consequenties voor de zorg om het water een regelrechte bedreiging wordt voor de continuïteit van vele agrarische bedrijven.
Al met al enkele aanwijzingen dat werkwijze en de inspraakstructuur van een instelling als het Waterschap niet deugt.
Om verdere onnodige exploitatie van de belastingbetaler te voorkomen lijkt het mij beter dat niet eerst de dijken maar een instelling als het Waterschap in zijn geheel drastisch op de schop gaat.
Naast stevige kritiek hoort natuurlijk ook een stevig alternatief.
Ik ben zo vrij geweest deze hierbij te voegen.
1.Alle water(loop)kundige werken worden rechtstreeks gefinancierd uit algemene (Rijks) middelen en uitgevoerd in samenwerking met Rijkswaterstaat. Iedere Nederlander heeft immers belang bij droge voeten. Het Waterschapbestuur zelf wordt drastisch ingekrompen tot een kleine eenheid van enkele deskundigen (Waterbouwkundig Ingenieurs), en regelt alleen nog het reguliere onderhoud van de waterlopen, en de taken die door het Rijk zijn toebedeeld.
2.De werkplaats met bijbehorend materieel wordt afgestoten. Om te voorkomen dat het een blijvend couveusekindje wordt, word de werkplaats met bijbehorend materiaal niet opgesplitst in een werkmaatschappij of B.V. onder beheer van het Waterschap, maar bij inschrijving verkocht aan de hoogste bieder.
Deze biedt vervolgens haar diensten aan samen met andere loonbedrijven tegen concurrerende prijzen. Ruim voor het eind van het jaarcontract maken alle loonbedrijven de tarieven voor het volgend seizoen bekend zodat men op basis van deze tarieven de volgende contracten kan uitgeven.
3. De bestaande inspraak structuur wordt beëindigd, in plaats daarvan word er rechtstreeks vergaderd met afgevaardigden van landbouworganisaties, gemeenten en b.v. leden van dorpsraden.
De vergoedingen hiervoor worden ook niet meer uit de Waterschapskas betaald maar uit de kas van de betreffende instanties. Dit om ervoor te zorgen dat de belangbehartiging hoofdzakelijk vanuit de samenleving naar het Waterschap loopt en niet andersom.
Om administratieve redenen en om kostbare procedures te voorkomen worden de classificaties sterk vereenvoudigd, alle regenwater moet immers uiteindelijk afgevoerd worden. Het verschil in drooglegging doormiddel van hoogte verschillen is immers geen verdienste van het Waterschap.
Het gaat uiteraard niet om de details, het bovenstaande is maar een voorbeeld.
Er is maar een ding waar het om draait, een efficiënte en betaalbare waterbeheersing.
De bekende slogan, ” Bron van wijs waterbeheer “, dient niet alleen door het Waterschap uitgedragen, maar ook door de samenleving bevestigd te worden.
Hoogachtend,
Hoi ,
Hierbij nog enige argumenten waarom over het hoe en waarom van die brief over het waterschap, het gaat mij ook niet om het werk dat het Waterschap het niet goed zou doen wat de uitvoering van het werk betreft en al helemaal niet dat men het water maar z,n vrije beloop zou moeten laten. Het gaat mij alleen om de manier waarop. Jaren geleden heb ik eens de heer Rabbers aangesproken over het uitvoeren van het werk door het waterschap c.q. loonbedrijven. Wat ik toen te horen kreeg was hetzelfde wat jij mij ook vertelde over die dure offertes van de loonbedrijven. Ik dacht bij mezelf, ja dit heeft geen zin om het zo te benaderen.. Misschien wel onbewust heeft Rabbers toen mij de aanzet gegeven om het een en ander op papier te zetten en dat heb ik dus ook gedaan. Alleen heb ik er lang mee getwijfeld met veel stress en soms slapeloze nachten om er ook mee naar buiten te komen. Tot dat ik een keer in een interview met het VVD kamerlid Hirsh Ali van Somalische afkomst haar beweegredenen hoorde waarom zij haar kritiek op de islam uitte. Daarin sprak zij de volgende woorden,: Durf te botsen;. Onwillekeurig moest ik daarbij ook aan mijn Opa denken die de zin, “durf te botsen” , als een soort automatisme had ingebouwd. Eerlijk en recht voor z,n raap. Dat was voor mij uiteindelijk de reden om de brief toch te versturen, kome wat komt. Een andere reden was ook om vrede met mezelf te houden, want als je al zolang met een gevoel van onrechtvaardigheid over het handelen van, onder anderen het Waterschap rondloopt dan kom je uiteindelijk in botsing met jezelf.
Het enigste wat ik toen nog nodig had was een aanleiding, en die vond ik in die brief van de Unie Van Waterschappen over de stijging van de zeespiegel.
Nu moet ik toegeven dat ik me in mijn brief vergist heb over het voorstel om offertes aan te vragen bij loonbedrijven wat betreft de lengte van die contracten. Ik ben er van overtuigd dat als het Waterschap serieuze offertes opvraagt bij diverse loonbedrijven, met een looptijd van tenminstens 10 jaar en dat het werk ook werkelijk gegund wordt aan de laagste inschrijver, dat men andere offertes binnenkrijgt dan wanneer men zo af en toe een proefballonnetje oplaat bij een of ander loonbedrijf. Want…. als ik hoor van Rieks Eising dat bij hem werkweken van 70 a 80 uur niet ongebruikelijk zijn en ook bij Vrieling of Wolken niet. De trekkers maken 1500 tot 2000 draaiuren per jaar en ik zie dat het materieel van het waterschap om vier uur weer bij het personeel op het erf staat, kan dat maar een ding betekenen, namelijk dat er met hetzelfde personeel en materieel bij een loonbedrijf meer werk word verzet. Dan kan je als Waterschap rekenen wat je wilt maar dan staat voor mij de uitslag als een paal boven water. Daar komt nog bij dat loonbedrijven eerder dan Waterschappen geneigd zijn om tijdelijke krachten in te schakelen, en zodoende deze mensen dus niet het hele jaar op de loonlijst hebben.
Bargerveen en het beroemde veenmosje. Door Rypke Zeilmaker, 7 augustus 2015
Het nieuwe verdienmodel van het Bargerveen heet Europese subsidies en andere welvaarts-uitwassen.
Voor die groei is water nodig, terwijl het omringende landbouwgebied juist meer droogte wil. Staatsbosbeheer liet daarom ontginningsslootjes dempen, en liet van 2003-2006 een waterreservoir aanleggen. Om veenverdroging te voorkomen, en om het water binnen te houden werd sinds de jaren ’60 al 50 kilometer dijk aangelegd. Zoals je kunt zien vind je ook rond het Bargerveen die typisch Hollandse keiharde overgang tussen landbouw en natuur, dat als een eiland in de enclaves ligt.
De ironie van de geschiedenis wil, dat de ingenieursbureaus die nu ‘nieuwe natuur’ ontwikkelen en hoogveen terug bouwen als Arcadis uit de oude ontginningsmaatschappijen voortkomen: zoals de Grontmij en Heidemij. Nu ontginnen ze de woeste landbouwgronden tot subsidieplantages/natuurorganisatie-ontwikkelingsgebieden. Wanneer het geld tot in de hemel groeit, krijg je landen waar dit soort praktijken normaal heten, nee zelfs ‘noodzakelijk voor de biodiversiteit’.
Een fragment uit zijn verslag.
“Het Bargerveen is op papier het laatste stuk ‘actief’ hoogveen, en valt daarom in de zwaarste bureaucategorie van Natura 2000. Hoogveen is veen dat boven het grondwaterpeil uitgroeit en kussens veenmos van meters dik kan vormen. Voornamelijk dankzij veenmos dat water opzuigt. Dat veenmos kan op zijn eigen gestorven klonen verder doorgroeien.
Het groeit dan ongeveer even snel als de spaarrekening van de gemiddelde ZZP’er, ongeveer 1 millimeter per jaar als het meezit.
In het jaar 3015 heb je dan een meter Hoogveen er bij….Dat ziet er dan ongeveer zo uit, net als het hoogveen nu maar dan met een meter hoger veen:
Archeologen vinden dan de restanten van het Staatsbosbeheer-kantoor bij Zwartemeer- waar nu hun groene overwinningsvlag wappert. Ze graven roestige resten op van de koffiemachine, en ontdekken tussen de documenten nog uniek gepreserveerde Interreg, Life- en andere subsidie-aanvragen. Ja, ook dit gebied hangt van de subsidies aan elkaar maar ach: vergeleken met de miljarden die bankiers kregen en de tientallen miljarden die naar windturbines gaan is het klein bier en ook nog eens beter besteed”.
Natura 2000-kerngebied voor ‘actief hoogveen’ Bargerveen in Drenthe werd afgelopen 20 jaar voor 20 miljoen euro Europese subsidie ‘hersteld’ via ‘vernatting’. Die maatregel blijkt helemaal niet effectief, zo erkennen onderzoekers nu, zodat nog eens 20 miljoen euro subsidie nodig zou zijn.
Maar de belangrijkste en kostbare herstelmaatregel in hoogveenrestanten, heeft niet altijd het gewenste effect.
Waarom dat zo is, is grotendeels nog onbekend. Wij beargumenteren dat recente inzichten uit empirische en experimentele studies in hoogveenherstelprojecten moeten worden gebruikt om de bestaande theoretische modellen uit te breiden, om deze vervolgens te kunnen gebruiken in het ontwikkelen van effectieve, gebiedsspecifieke herstelplannen. Hierdoor kan de droom van zelfregulerende hoogvenen in Nederland wellicht op niet al te lange termijn werkelijkheid worden.
In Nederland is bijvoorbeeld nog maar circa 3600 hectare van het oorspronkelijke areaal van 90.000 hectare aan hoogveen over (Smolders et al.,
2004), en het meeste daarvan is ontwaterd. Bovendien is
de diversiteit aan veenmossoorten in onze huidige hoogvenen
lager dan die vroeger was, omdat voornamelijk de
karakteristieke bultvormende veenmossen ontbreken
(Schouten et al., 1998).
Afwezigheid bultvormende veenmossen.
Binnen het huidige tijdperk van natuurherstel staan hoogvenen
om diverse redenen weer hoog op het wensenlijstje
van natuurbeschermingsorganisaties. Ze vormen een
karakteristiek landschapstype dat veel Nederlanders aanspreekt
en ze kennen een hele eigen soortensamenstelling.
Daarnaast speelt intact hoogveen, op wereldschaal,
een belangrijke rol bij het vastleggen van koolstof (zie
kader). De afgelopen jaren zijn op diverse plaatsen in Nederland
hoogveenherstelprojecten gestart, bijvoorbeeld
in het Haaksbergerveen, het Bargerveen en de Mariapeel.
Daarbij wordt vooral ingezet op het herstel van een functionele
acrotelm: de laag van levend en weinig vergaan
veenmosveen waarin het freatisch waterniveau op en neer
beweegt. De belangrijkste maatregel daarbij is het verhogen
van de waterspiegel in de ontwaterde terreinen. Hoewel
zich in restauratieprojecten vaak al snel een nieuwe
veenmosvegetatie ontwikkelt, vestigen de karakteristieke
bultvormende veenmossen zich vooralsnog maar moeilijk
(Joosten, 1995; Schouwenaars et al., 2002). De aanwezigheid
van grote oppervlakten van deze soorten is echter
cruciaal voor het ontstaan van een goede actrotelmstructuur
en het herstel van een veenvormend ecosysteem
(Smolders et al., 2004). In Nederland lijkt het erop dat de
ontwikkeling en het herstel van hoogveenvegetaties stagneert
in een fase waarbij slenksoorten zoals Sphagnum
cuspidatum (waterveenmos) en S. fallax (fraai veenmos)
domineren. Waarom juist deze soorten onze veenrestanten
hebben gekoloniseerd is niet geheel duidelijk, maar
waarschijnlijk spelen de abiotische omstandigheden (waterstanden
die in herstelprojecten gerealiseerd worden en
hoge stikstof deposities) daarbij een belangrijke rol. De
stagnatie in dit door slenksoorten gedomineerde stadium
kan grofweg twee oorzaken hebben. Ten eerste zouden de
juiste milieuomstandigheden voor vestiging van bultvormende
soorten, bijvoorbeeld S. magellanicum (hoogveenveenmos),
S. rubellum (rood veenmos) en S. fuscum (bruin
veenmos) kunnen ontbreken. De verrijking met voedingsstoffen
zoals stikstof en fosfaat, waardoor de concurrentiepositie van veenmossen ten opzichte van vaatplanten, en die van bultvormende veenmossen ten opzichte van
snel groeiende slenksoorten als S. fallax en S. cuspidatum
afneemt, speelt daarbij waarschijnlijk een belangrijke rol
(Lamers et al., 2000; Limpens et al., 2004). Ten tweede is
het mogelijk dat er geen ‘donor populatie’ of diasporen
van bultvormende soorten aanwezig zijn. Aangezien sporen
van veenmossen zich verspreiden over afstanden tot
wel 100 kilometer (Soro et al., 1999; Campbell et al., 2003)
lijkt deze laatste verklaring echter onwaarschijnlijk. Vestiging
van bultvormende veenmossen in de reeds aanwezige
vegetatie lijkt de bottleneck in de ontwikkeling van een
veenvegetatie met de kenmerkende bult – slenk structuur
(Smolders et al., 2003). Uit Zweeds onderzoek blijkt dat de
kieming van veenmossporen uiterst moeizaam verloopt
in een al aanwezige vegetatie (Sundberg & Rydin, 2002).
De introductie van de cruciale bultvormende veenmossen
door transplantatie zou dit vestigingsprobleem kunnen
verhelpen, waardoor de ontwikkeling van een gevarieerde
veenmosvegetatie versneld wordt.
Herintroductie van doelsoorten
Kolonisatie van met name bultsoorten lijkt de limiterende
factor in het herstel van karakteristieke, goed functionerende,
koolstofvastleggende hoogvenen. Zou actieve herintroductie
van bultsoorten het proces van hoogveenherstel
dan kunnen versnellen? Smolders et al. (2003) hebben
met hun experiment in een Iers hoogveen laten zien dat
geïntroduceerde plaggen bultvormende veenmossoorten
– Sphagnum magellanicum (hoogveenveenmos) en S.
papillosum (wrattig veenmos) – zich handhaven en zelfs
uitbreiden. De getransplanteerde stukken veenmateriaal
waren echter relatief groot (500 vierkante centimeter),
wat de toepassing van deze methode in hoogveenherstel
vrij arbeidsintensief en kostbaar maakt. Hoewel beter
toepasbaar, blijkt transplantatie van diasporen in de vorm van kleine stukjes veenmos veel minder succesvol.
Slechts in enkele gevallen zijn de mossen in staat zich te
handhaven of enigszins uit te breiden (Tomassen et al.,
2004). Herintroductie van bultsoorten in Nederlandse
hoogvenen lijkt dus een moeizame zaak. In een poging
om de knelpunten beter te begrijpen zullen we eerst dieper
ingaan op de processen die essentieel zijn voor het
functioneren van hoogvenen.
Stabiliteit van bulten en slenken.
Verandering van de dikte van een veenlaag wordt in belangrijke
mate bepaald door drie processen: toevoer van dood
organisch materiaal (productie), verlies van organisch materiaal
(decompositie) en inklinking van de veenlaag (compactie).
De dikte van de veenlaag neemt toe wanneer op
langere termijn de productie groter is dan decompositie en
compactie. Binnen een hoogveen verschillen de snelheden
waarmee deze processen zich afspelen aanzienlijk (Ohlson
& Okland, 1998). Een belangrijke factor daarbij is de
dikte van de acrotelm (Belyea & Clymo, 2001), die grofweg
overeenkomt met de afstand van het veenmosoppervlak tot
het laagste niveau van het freatisch water. In een uitgebreid
veldexperiment in een Schots hoogveen zijn productie, decompositie
en compactie gemeten over een gradiënt van
verschillende acrotelm diktes (Belyea & Clymo 2001). Uit
dit onderzoek blijkt dat de successie in venen tendeert naar
twee verschillende toestanden. Enerzijds is dat een natte
toestand (slenk) met een lage productie van organisch materiaal
en een lage microbiële afbraak. Anderzijds is dat een
relatief droge toestand (bult) met een hoge productie van
organisch materiaal en ook een hoge microbiële afbraak.
Deze resultaten werden door deze auteurs gebruikt voor de
parameterisatie van een model dat voorspelt dat zowel de
bult- als de slenktoestand stabiel is. Na verstoring ontwikkelen
bulten en slenken zich in de richting van de situatie
vóór de perturbatie en keren daarin na verloop van tijd te-rug. Met andere woorden, zowel bulten als slenken kennen
een zekere mate van veerkracht ten opzichte van verstoringen.
De resultaten van de Schotse modelstudie zijn samengevat
in het linkerpaneel van figuur 1. Hierin is te zien dat
voor een bepaald bereik in netto wateropslag (het verschil
tussen neerslagoverschot en afvoer door drainage) er zowel
een natte (de grijze lijn) als een droge (de zwarte lijn)
stabiele toestand mogelijk is. Tussen de twee evenwichten
ligt een instabiel evenwicht (de zwarte stippellijn), en deze
lijn bepaalt de grens waarboven een plek zal doorgroeien
tot een bult. Onder deze grens zal de plek vernatten tot een
slenk.
Het model van Belyea & Clymo (2001) verklaart de stabiliteit
van bulten en slenken in een Schots hoogveen en op
een kleine ruimtelijke schaal. Hoe relevant zijn deze uitkomsten
voor andere hoogvenen en ruimtelijke schalen?
Het belang van een divers hoogveen.
Intacte hoogvenen worden gekenmerkt door de aanwezigheid van een patroon van microtopografische elementen, of
microhabitats, die variëren van natte depressies (slenken) en iets drogere, maar regelmatig geïnundeerde vlakke delen tot
droge bulten. Elk van deze habitats wordt gekenmerkt door een verschillende set van veenmossoorten. Niet alleen vanuit
botanisch oogpunt is een breed scala aan veenmossen en habitats belangrijk; een grote diversiteit aan habitats werkt
ook positief voor de hoogveenfauna (Verberk & Esselink, 2003). Door haar verscheidenheid aan eigenschappen draagt een
grote diversiteit van veenmossen ook bij aan het zelfregulerende vermogen van hoogvenen. Doordat de samenstelling van
soorten en van microhabitats in hoogveen dynamisch is en afhangt van factoren zoals neerslag en temperatuur, verhoogt
een ruimtelijk divers patroon de veerkracht en stabiliteit van het ecosysteem, waardoor veranderende milieufactoren (bijvoorbeeld
klimaatverandering) minder vat hebben op het functioneren van het systeem (Riutta et al., 2007). Dit laatste
werd elegant geïllustreerd door Kivimäki et al. (2008), die laten zien dat een grote diversiteit aan functionele plantengroepen
(zowel slenk- en bultvormende veenmossen als de vaatplanten die deze microhabitats koloniseren) bijdraagt aan
een grotere capaciteit om koolstof op te slaan.
Hoogveenherstel in Nederland: van
droom naar werkelijkheid.
De in Nederland overgebleven hoogveenrestanten vertonen
een relatief geringe diversiteit aan veenmossen en
in de herstelprojecten blijft de veenvegetatie vaak in een
slenkstadium steken. De theoretische modellen geven
een mogelijke verklaring voor de moeizame vestiging van
bultsoorten in Nederlandse hoogvenen: er is een aanzienlijke
perturbatie nodig om van een slenk- naar een bultsituatie
te gaan. Deze modellen zijn echter niet gedetailleerd
genoeg om de cruciale onderliggende processen te
identificeren. Vervolgens hebben we recent empirisch
onderzoek besproken dat er op duidt dat sterke interspecifieke
competitie tussen veenmossoorten om (regen)water
gedurende droge perioden, een cruciaal proces is. De
resultaten van het genoemde transplantatie experiment
laten zien dat het succes van veenmostransplantatie afhankelijk
is van het vermogen van deze transplantaten om hun eigen ideale omgeving te creëren. Het gekozen transplantaat
moet daartoe een bepaalde minimum oppervlakte
bezitten. Een belangrijke vraag die nu beantwoord moet
worden is dus: wat is de minimaal benodigde oppervlakte
van transplantaten om een herintroductie van bultsoorten
kansrijk te maken? Het zal moeilijk zijn om deze vraag alleen
met experimenten te beantwoorden, omdat het antwoord
afhangt van gebiedsspecifieke omstandigheden en
hydrologie. Daarom lijkt het ons waardevol om de resultaten
van recent empirisch onderzoek weer terug te koppelen
naar de eerder beschreven modellen. Een dergelijke
combinatie van modellen en experimenten (samengevat
in figuur 5) kan gebruikt worden om gebiedsspecifieke
strategieën voor hoogveenherstel te ontwikkelen. Ons
onderzoek laat zien dat naast het creëren van gunstige
omstandigheden voor veenmosgroei, herintroductie van
bultvormende veenmossen kan leiden tot het doorbreken
van de stagnatie in het Nederlandse hoogveenherstel,
waarmee een noodzakelijke stap voorwaarts gezet wordt
om van onze droom, ècht werkelijkheid te maken.
Dank
Het onderzoek van B.J.M. Robroek is financieel gesteund
door Staatsbosbeheer, de Nederlandse stichting tot behoud
van Ierse venen en NWO-Waterproject 857.00.010;
dat van M.B. Eppinga door een VIDI beurs, die door de
Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
(NWO-ALW) is toegekend aan Max Rietkerk (Universiteit
Utrecht).